beroep

Afrikaans

Étymologie

Nom commun

beroep

  1. recours
  2. profession
  3. métier

Synonymes

Néerlandais

Étymologie

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Nom commun

beroep \bə.ɾup\ het

  1. Profession, métier.
  2. (Droit) Appel.
    • Beroep instellen.
      Interjeter appel.
    • In hoger beroep.
      En appel.
    • Het beroep op de uitputtingsregel.
      Le recours à la règle d’épuisement.
    • In beroep gaan.
      Aller en appel, se pourvoir en appel.
    • Beroep op het beleggend publiek.
      Appel public à l’épargne.

Dérivés

  • beroep in cassatie (pourvoi en cassation)
  • beroepbaar
  • beroepencode
  • beroepengids
  • beroepenspiegel
  • beroepenvoorlichting
  • beroeper
  • beroeping
  • beroeps
  • beroepsaanduiding
  • beroepsaansprakelijkheid
  • beroepsastma
  • beroepsbegeleidend
  • beroepsbevolking
  • beroepsblind
  • beroepscentrale
  • beroepscode
  • beroepscrimineel
  • beroepsdeformatie
  • beroepseczeem
  • beroepsethiek
  • beroepsfotograaf (photographe professionnel)
  • beroepsgeheim
  • beroepsgoederenvervoer
  • beroepsgroep
  • beroepsgrond
  • beroepshalve
  • beroepshof
  • beroepsjournalist
  • beroepskader
  • beroepskeuze
  • beroepsklasse
  • beroepskleding
  • beroepskracht
  • beroepsleger
  • beroepsmatig
  • beroepsmilitair
  • beroepsmisdadiger
  • beroepsmisvorming
  • beroepsmogelijkheid
  • beroepsofficier
  • beroepsonderwijs
  • beroepsongeval
  • beroepsopleiding
  • beroepsorgaan
  • beroepsorganisatie
  • beroepspraktijk
  • beroepsprocedure
  • beroepsprofiel
  • beroepsrecht
  • beroepsrechter
  • beroepsrenner
  • beroepsrijder
  • beroepsscheepvaart
  • beroepsscholing
  • beroepsschool
  • beroepsschrijver
  • beroepssoldaat
  • beroepsspeler
  • beroepssport
  • beroepssporter
  • beroepsstructuur
  • beroepstaal
  • beroepstak
  • beroepstermijn
  • beroepsvaart
  • beroepsverbod
  • beroepsvereniging
  • beroepsvervoer
  • beroepsvervoerder
  • beroepsvoetballer
  • beroepsvoorlichting
  • beroepszaak
  • beroepsziekte
  • cassatieberoep
  • hof van beroep (cour d’appel)
  • hoofdberoep
  • knelpuntberoep
  • vertrouwensberoep

Forme de verbe

beroep \Prononciation ?\

  1. Première personne du singulier du présent de beroepen.

Prononciation

  • Pays-Bas : écouter « beroep [bə.ɾup] »
  • Pays-Bas (partie continentale) (Wijchen) : écouter « beroep »
Cet article est issu de Wiktionary. Le texte est sous licence Creative Commons - Attribution - Sharealike. Des conditions supplémentaires peuvent s'appliquer aux fichiers multimédias.