doorsijpelen

Néerlandais

Étymologie

Composé de “door” et “sijpelen”.

Verbe

doorsijpelen intransitif

Présent Prétérit
ik sijpel door sijpelde door
jij sijpelt door
hij, zij, het sijpelt door
wij sijpelen door sijpelden door
jullie sijpelen door
zij sijpelen door
u sijpelt door sijpelde door
Auxiliaire Participe présent Participe passé
hebben sijpelen doord doorgesijpeld
  1. Suinter, s'infiltrer.

Synonymes

Vocabulaire apparenté par le sens

Prononciation

Prononciation manquante. (Ajouter)

Cet article est issu de Wiktionary. Le texte est sous licence Creative Commons - Attribution - Sharealike. Des conditions supplémentaires peuvent s'appliquer aux fichiers multimédias.