gebied

Afrikaans

Étymologie

Étymologie manquante ou incomplète. Si vous la connaissez, vous pouvez l’ajouter en cliquant ici.

Nom commun

gebied \Prononciation ?\

  1. Contrée, région.
  2. Aire.

Synonymes

Néerlandais

Étymologie

Déverbal de gebieden (dominer).

Nom commun

Nombre Singulier Pluriel
Nom gebied gebieden
Diminutif gebiedje gebiedjes

gebied \ɣǝ.bi:d\ neutre

  1. Domaine, territoire.
    • op alle gebieden : dans tous les domaines; tous azimuts
    • op het gebied van : en matière de, en fait de
  2. (Technique) Plage.
    • temperatuurgebied : plage de température

Synonymes

domaine
page

Dérivés

  • aandachtsgebied
  • aardbevingsgebied
  • activiteitsgebied
  • afzetgebied
  • ambtsgebied
  • beperkingengebied
  • beschermingsgebied
  • boezemgebied
  • bon-gebied
  • bosgebied
  • broedgebied
  • brongebied
  • buitengebied
  • cultuurgebied
  • dalingsgebied
  • deelgebied
  • definitiegebied
  • deltagebied
  • doelgebied
  • duikgebied
  • duingebied
  • eilandgebied
  • eurogebied
  • expulsiegebied
  • gebiedsdeel
  • gebiedseconomie
  • gebiedsgericht
  • gebiedsontwikkeling
  • gebiedsontzegging
  • gebiedsverbod
  • gebiedswapen
  • gezagsgebied
  • grensgebied
  • groengebied
  • grondgebied
  • havengebied
  • heidegebied
  • hogedrukgebied
  • indicatiegebied
  • industriegebied
  • interessegebied
  • inundatiegebied
  • jachtgebied
  • kennisgebied
  • klimgebied
  • kustgebied
  • laagveengebied
  • lagedrukgebied
  • landbouwgebied
  • leefgebied
  • leergebied
  • machtsgebied
  • mandaatgebied
  • meetgebied
  • merengebied
  • moerasgebied
  • natuurbeschermingsgebied
  • natuurgebied
  • noodgebied
  • noordpoolgebied
  • ontwikkelingsgebied
  • oorlogsgebied
  • overloopgebied
  • overstromingsgebied
  • paaigebied
  • pachtgebied
  • peilgebied
  • plassengebied
  • poolgebied
  • probleemaccumulatiegebied
  • probleemgebied
  • prostitutiegebied
  • rampgebied
  • randgebied
  • rechtsgebied
  • recreatiegebied
  • retentiegebied
  • rijksgebied
  • rijnmondgebied
  • rivierengebied
  • rustgebied
  • saargebied
  • saneringsgebied
  • schemergebied
  • schengengebied
  • skigebied
  • sneeuwgebied
  • spanningsgebied
  • spergebied
  • stadsgebied
  • stamgebied
  • steppegebied
  • stiltegebied
  • stimuleringsgebied
  • stoorgebied
  • storingsgebied
  • stormgebied
  • strafschopgebied
  • strijdgebied
  • stroomgebied
  • studiegebied
  • taakgebied
  • taalgebied
  • tippelgebied
  • toezichtgebied
  • trustgebied
  • tuinbouwgebied
  • vakantiegebied
  • vakgebied
  • veengebied
  • veenweidegebied
  • veiligheidsrisicogebied
  • verblijfsgebied
  • verspreidingsgebied
  • verzamelgebied
  • verzorgingsgebied
  • vestigingsgebied
  • voetgangersgebied
  • vrijhandelsgebied
  • waddengebied
  • wandelgebied
  • waterbergingsgebied
  • watergebied
  • werkgebied
  • wetenschapsgebied
  • wijnbouwgebied
  • wijngebied
  • wingebied
  • wintersportgebied
  • woestijngebied
  • woongebied
  • zadelgebied
  • zandgebied
  • zeehavengebied
  • zeekleigebied
  • zestienmetergebied
  • zoekgebied
  • zuidpoolgebied

Forme de verbe

gebied \Prononciation ?\

  1. Première personne du singulier du présent de gebieden.

Taux de reconnaissance

En 2013, ce mot était reconnu par[1] :
  • 99,6 % des Flamands,
  • 100,0 % des Néerlandais.

Prononciation

  • \ɣǝ.bi:d\
  • Pays-Bas : écouter « gebied [ɣǝ.biːd] »
  • Pays-Bas (partie continentale) (Wijchen) : écouter « gebied [Prononciation ?] »

Références

  1. Marc Brysbaert, Emmanuel Keuleers, Paweł Mandera et Michael Stevens, Woordenkennis van Nederlanders en Vlamingen anno 2013: Resultaten van het Groot Nationaal Onderzoek Taal, Université de Gand, 15 décembre 2013, 1266 p. → [lire en ligne]
Cet article est issu de Wiktionary. Le texte est sous licence Creative Commons - Attribution - Sharealike. Des conditions supplémentaires peuvent s'appliquer aux fichiers multimédias.